Sponsoren

De groep plattelands- en streekrijtuigen is vrij uitgebreid, want in het verleden werden door de plaatselijke rijtuigbouwers streekgebonden rijtuigen gebouwd. De streekgebondenheid had alles te maken met de plaatselijke welvaart, de grondsoort en de bedrijvigheid in de streek. Maar ook de geïsoleerde ligging van de streek was van invloed op de ontwikkeling van de plaatselijke rijtuigen. De rijtuigen ontwikkelden zich vaak vanuit de praktijk en de traditie en hadden vaak een dubbele functie. Maar ook de dienst- en de sportrijtuigen van de grote rijtuigfabrikanten dienden vaak als voorbeeld voor de plaatselijke modellen. Vanwege de toenmalige slechte wegen op het platteland werden de streekgebonden rijtuigen slechts zelden op rubber gezet, ook waren de vooras en de achteras van gelijke lengte, het zgn. stadsspoor kwam op het platteland niet voor. Elk land en elke streek had zijn eigen rijtuigvormen zo werden in Noord-Amerika uit hickoryhout veel lichte rijtuigen gebouwd, de buggy’s, vrij lichte rijtuigen met vier vrijwel gelijke hoge wielen met smalle velgen. De hoge wielen konden niet onder de kast doordraaien met als gevolg een vrij grote draaicirkel. In Duitsland ontwikkelden zich rijtuigen die bij uitstek geschikt waren op de slechte wegen buiten de stad, vaak waren dat lage lange rijtuigen, puur voor de praktijk gebouwd, vaak zonder enige luxe, zoals de jachtwagen, de feldwagen, de Achenbach jachtwagen en de Oppenheimer. In Nederland zijn een beperkt aantal specifiek Nederlandse rijtuigen gebouwd, ondanks het feit dat er ook in Nederland rijtuigbouwers van naam voorkwamen.
Zo kennen we in Nederland de volgende streekrijtuigen: de tilbury, de kapsjees, de sjees, de prins Albert phaëton, de Utrechtse tentwagen, de kaasbrik en de afgeleide brikken, de kerkbrik en de open/zomerbrik.